Zeven vragen over vier transities in het Sociaal Domein

 

19-09-2014  | Voor provincies, gemeenten, zorginstellingen, regionale samenwerkingsverbanden en andere spelers in het Sociaal Domein is het jaar 2014 een enerverend jaar. Het kabinet heeft besloten vier transities in één tijdsbestek te laten plaatsvinden. Het gaat om de overheveling van AWBZ-zorg, Jeugdzorg, sociale zekerheid en speciaal onderwijs. Deze transities hebben één ding gemeenschappelijk: de gemeenten krijgen veel verantwoordelijkheid en gaan een centrale rol vervullen.

Aan de hand van zeven vragen en antwoorden krijgen betrokken ondernemingsraden een overzicht van de ontwikkelingen die zich in een hoog tempo voltrekken. Doordat de samenhang van de vier transities zo in beeld komt, weten zij wat zich voltrekt in de eigen organisatie en in de organisaties waarmee ze gaan samenwerken.

Vraag 1: Welke transities betreft het?
Het gaat om:
• de transities van een deel van de zorg, begeleiding en ondersteuning zoals dat tot nu toe geregeld is in de Algemene wet bijzondere ziektekosten(AWBZ);
• de transitie van de Jeugdzorg;
• de transitie van de verantwoordelijkheid voor werken naar vermogen, vastgelegd in de Participatiewet;
• de overheveling van de verantwoordelijkheid voor het speciaal onderwijs.

Vraag 2: Wat wordt er eigenlijk bedoeld met transitie?
Met transitie bedoelt men dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering en financiering verschoven wordt. Bij de transities gaat uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de dienstverlening èn de financiering ervan naar de gemeente. Hiervoor was de verantwoordelijkheid versnipperd over verschillende partijen.

Vraag 3: Waarom vinden de transities plaats?
Aan de transitieprocessen liggen globaal dezelfde uitgangspunten ten grondslag.
• Meer nadruk op de eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers.
• Meer mogelijkheden creëren voor participeren in de samenleving en gebruikmaken van sociale netwerken.
• De dienstverlening dichter bij de burger. De organisatie van de ondersteuning vindt zoveel mogelijk dicht bij de burger plaats.
• Meer nadruk op preventie. Voorkomen is beter dan genezen.
• Kostenbesparing. Door de regie en de financiering dichterbij de burger te organiseren verwacht de overheid efficiënter en dus kostenbesparend te kunnen functioneren.

Er zijn nuanceverschillen in de motieven achter de transities. Daarom een korte toelichting per transitie.

Overheveling vanuit de AWBZ
Bij de overheveling van de AWBZ speelt de betaalbaarheid van de zorg in de toekomst een grote rol. De AWBZ is een moeilijk beheersbare voorziening gebleken waar ieder die daar behoefte aan had, te makkelijk uit kon putten. De AWBZ verdwijnt en de zorg die daarin was opgenomen wordt verdeeld over drie andere wetten: de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet Maatschappelijke ondersteuning (WMO) en de Zorgverzekeringswet. Onder de WLZ vallen alleen de 'zware' zorggevallen waarbij bijvoorbeeld 24-uur toezicht noodzakelijk is. Dit deel van de zorg blijft onder de verantwoordelijkheid vallen van de zorgverzekeraars. De resterende zorg, begeleiding, ondersteuning of hulp gaan of naar de WMO die door de gemeente wordt uitgevoerd of naar de ZV die ook door de zorgverzekeraars wordt uitgevoerd. De verwachting is dat door de zorg zo op te knippen de uitvoerende organen meer toezicht zullen houden op de uitgaven. Dat zal trouwens sowieso wel gebeuren omdat er met de overheveling ook een aanzienlijke bezuiniging gepaard gaat. Alleen al op huishoudelijke verzorging en begeleiding denkt men tientallen procenten te kunnen besparen.

Jeugdzorg
Ook bij de Jeugdzorg is de betaalbaarheid van de zorg een argument, maar hier diende een nog zeker zo belangrijk probleem opgelost te worden. De Jeugdzorg kampte al jaren met het probleem van de versnippering. Teveel spelers waren verantwoordelijk voor de Jeugdzorg zodat bij aanmelding van een hulpverzoek verschillende instanties betrokken moesten worden. Dit leidde tot ongewenst uitstel van hulp, met als gevolg dat de complexiteit van het probleem toenam en er uiteindelijk vaak duurdere hulp geboden moest worden. Door de Jeugdzorg dichter bij de burger te organiseren verwacht de overheid dat de zorg sneller en efficiënter een antwoord kan bieden. Hiervoor is een nieuwe wet ontwikkeld die alle verantwoordelijkheid bij de gemeente legt: de Jeugdwet. Op basis van de verwachting dat de gemeente de hulp efficiënter kan organiseren is er een bezuinigingsmaatregel van 15% op het totale budget voor Jeugdzorg toegepast.

Werken naar vermogen: Participatiewet
Met de Participatiewet wil het kabinet bereiken dat meer mensen participeren op de arbeidsmarkt en minder afhankelijk zijn van uitkeringen. Daarom was al eerder het initiatief genomen tot de Wet werken naar vermogen. Men wilde tevens het probleem oplossen dat er verschillende regelingen voor vergelijkbare groepen bestonden.
De ambitie van het kabinet sluit naar hun idee ook aan op een individueel belang: te veel mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt staan aan de kant, waardoor een tweedeling in de maatschappij dreigt. Met de Participatiewet anticipeert het kabinet ook op een komend maatschappelijk belang: na het herstel van de economie verwacht men wederom krapte op de arbeidsmarkt. Op de korte termijn speelt een financieel belang. De economische crisis heeft een gat geslagen in de overheidsfinanciën en dat moet worden gedicht. Als minder mensen een uitkering nodig hebben bespaart de overheid geld. Daarnaast hecht het kabinet aan het behouden draagvlak voor solidariteit voor de zwakkeren in de samenleving. Dit hoopt men te bereiken door burgers, gemeenten en werkgevers te prikkelen en te stimuleren om zoveel mogelijk mensen aan het werk te helpen en te houden. De reden om de verantwoordelijkheid bij de gemeente te leggen is gelegen in het feit dat er vanuit de gemeente meer ruimte voor stimulerende maatregelen is en beter toezicht gehouden kan worden op de praktijk.

Speciaal onderwijs
De transitie van de verantwoordelijkheid voor het speciaal onderwijs hangt nauw samen met de transitie van de Jeugdzorg. De gedachte erachter is dat het onderwijs en de Jeugdzorg onvoldoende raad weten met kinderen met een complexe hulpvraag. Zoals hiervoor bij 'Jeugdzorg' al gemeld kende het systeem zwakke plekken waardoor er perverse prikkels ontstonden met elkaar opvolgende verwijzingen en indicaties. Het systeem van versnipperde verantwoordelijkheden zorgt te vaak voor het te laat inschakelen van de juiste ondersteuning voor het kind en het gezin. De keuze die nu is gemaakt, zorgt voor een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden: schoolbesturen en samenwerkingsverbanden zijn verantwoordelijk voor de interne leerlingenzorg en lichte en zware onderwijsondersteuning. De gemeente is met de decentralisatie van de Jeugdzorg en huidige preventieve jeugdbeleid, verantwoordelijk voor de externe leerlingenzorg. Dit met als doel dat er een samenhangend en afgestemd stelsel van interne en externe leerlingenzorg ontstaat. Kinderen en jongeren moeten door de samenwerking in een zo vroeg mogelijk stadium en in de eigen omgeving geholpen worden om escalatie van problemen te voorkomen.

Vraag 4: Wanneer moeten de transities voltooid zijn?
Formeel is de ingangsdatum van de nieuwe WMO, de nieuwe Jeugdwet en de Participatiewet 1 januari 2015. De wetgeving rond passend onderwijs is al eerder van kracht geworden zodat scholen al vanaf 1 augustus 2014 de taak hebben om het kind een passende onderwijsplek te bieden. Al is de datum vastgesteld, in de praktijk is er een groot verschil in voorbereiding door de verschillende gemeenten. Enkele gemeenten hebben vroegtijdig voorgesorteerd op de veranderingen en hebben hun zaken vrijwel op orde. Andere gemeenten hebben lang gewacht en wellicht ook gehoopt op uitstel of afstel van de transities. Deze gemeenten hebben een grote hoeveelheid werk te verzetten om de burger vanaf 1 januari 2015 van voldoende zorg en ondersteuning te kunnen voorzien. Het kabinet eist van de gemeenten dat zij hun plannen voor 1 november 2014 afgerond hebben.
Voor de uitvoerende (zorg)instellingen is 2014 het jaar waarin de contracten met de gemeenten of regio's worden afgesloten zodat de zorgverlening ook in 2015 door kan gaan. Voor wat betreft het speciaal onderwijs is het aan de schoolbesturen om de verantwoordelijkheid op te pakken en ervoor te zorgen dat ze vanaf augustus 2014 een sluitend vangnet hebben voor leerlingen die extra zorg nodig hebben.

Vraag 5: Hoe ziet de werkelijkheid er uit na de transities?
Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden. De landelijke overheid heeft in de wetgeving duidelijk geformuleerd wie verantwoordelijk is voor de regie en de financiën. Echter, voor wat betreft de concrete organisatie, daarin hebben gemeenten enige vrijheid om maatwerk te ontwikkelen. Globaal kan gezegd worden dat grote gemeenten hun eigen uitvoeringsorganen inrichten en slechts in beperkte mate samenwerken met andere gemeenten. Kleinere gemeenten kiezen voor intensieve samenwerking met andere gemeenten in de regio. Om bijvoorbeeld het aanbod van de Jeugdzorg op peil te houden sluiten regio's voor gemeenten Regionale Transitie Arrangementen (RTA's) af met zorgverleners zodat kinderen niet tussen wal en schip vallen. Als het gaat om de uitvoering van de Participatiewet zal er samengewerkt worden in 35 arbeidsmarktregio's. Hier zullen Werkbedrijven ingericht worden die hun diensten verlenen aan de gemeenten in die regio. In de gemeenten zelf is zichtbaar dat wijkteams ingericht worden om de indicatie van de zorg- of ondersteuningsbehoefte in beeld te brengen. Deze wijkteams worden bemand door medewerkers uit de zorg- en welzijnsorganisaties, indien nodig aangevuld met ambtenaren van de gemeente met een specifieke expertise. Hoe de voorzieningen ook geregeld zijn, de uiteindelijke verantwoordelijkheid dat de voorzieningen beschikbaar zijn, komt bij de gemeente te liggen.

Vraag 6: Welke spelers zijn vooral relevant bij deze transities?
Bij alle vier de transities is er sprake van een overheveling van verantwoordelijkheden van diverse spelers naar de gemeente. Bij het speciaal onderwijs is er tevens sprake van extra verantwoordelijkheden voor schoolbesturen.
Vanuit het oogpunt van de medezeggenschap is het noodzakelijk om te weten waar werk ontstaat, maar ook waar werk verdwijnt. Globaal zijn de lijnen als volgt: Daar waar voorheen de verantwoordelijkheid lag verdwijnt werk. Daar waar de verantwoordelijkheid komt te liggen, ontstaat werk. Dan hebben we het bijvoorbeeld bij de transitie van zorg en welzijn over verschuiving van werk:
• van zorgverzekeraar naar gemeente;
• van zorgkantoor naar gemeente;
• van CIZ naar gemeente.
De verschuiving zal niet direct betekenen dat de uitvoering bij het gemeentelijk apparaat komt te liggen. De gemeente bepaalt in samenspraak met de zorgaanbieders hoe het werk georganiseerd en uitgevoerd moet worden.

Bij de jeugdzorg is eenzelfde beweging te verwachten:
• van provincie naar gemeente;
• van landelijke overheid naar gemeente;
• van Bureau Jeugdzorg naar gemeente.
Hierbij geldt hetzelfde als bij de zorgoverheveling. Echter, bij de Jeugdzorg is duidelijk dat het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) een centrale rol zal gaan spelen. Daarnaast heeft de staatssecretaris bepaald dat de expertise van Bureau Jeugdzorg voorlopig gebruikt dient te worden.

Vraag 7: Wat is de rol van de medezeggenschap bij deze transities?
Er is veel dynamiek in de zorg- en welzijnsorganisaties, de overheidsorganisaties en de onderwijsorganisaties die met deze transities te maken hebben. Er is sprake van een toename van werk bij de gemeenten, een verschuiving en afname van werk bij zorgaanbieders en van het verdwijnen van werk bij bijvoorbeeld provincie, rijksoverheid en de zorgverzekeraars. De medezeggenschap binnen deze organisaties zal vooral gericht moeten zijn op het begrijpen wat er van buitenaf op de organisatie af komt en dat kunnen vertalen naar de veranderingen binnen de eigen organisatie. Verschillende ondernemingsraden zullen geconfronteerd worden (of zijn al geconfronteerd) met het verdwijnen van werk, het verschuiven van werken of het verkrijgen van werk. Dit zijn voor de Wet op de ondernemingsraden veelal thema's die vallen onder het adviesrecht.

Door: Agnes Nibbeling, zelfstandig trainer/adviseur medezeggenschap binnen zorg en overheid

Bron: OR Informatie

 

 

« Terug