Wet Vbar: alleen rechtsvermoeden blijft overeind

De voorgenomen Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Wet Vbar) krijgt een beperktere invulling dan aanvankelijk de bedoeling was. Het kabinet heeft besloten het onderdeel dat meer duidelijkheid moest geven over de beoordeling van arbeidsrelaties te laten vervallen. Daarmee blijft uitsluitend het onderdeel over het rechtsvermoeden van werknemerschap in het wetsvoorstel staan.
De Tweede Kamer heeft inmiddels ingestemd met deze aangepaste versie van de wet. Dat betekent dat het bestaande juridische kader voor de beoordeling van arbeidsrelaties voorlopig blijft bestaan. Daarbij wordt nog altijd aangesloten bij rechtspraak, waaronder het bekende Deliveroo-arrest en latere uitspraken van rechters. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verwijst hiervoor naar de uitleg op het platform het juiste contract; https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/zelfstandigen-zonder-personeel-zzp/voorkomen-van-schijnzelfstandigheid
Rechtsvermoeden bij lagere tarieven
In het wetsvoorstel is opgenomen dat zelfstandigen met een relatief laag uurtarief onder een rechtsvermoeden van werknemerschap kunnen vallen. Voor 2026 ligt die grens op € 38 per uur. Wanneer een zelfstandige minder verdient en stelt feitelijk werknemer te zijn, moet de opdrachtgever kunnen aantonen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Kan dat onvoldoende worden onderbouwd, dan kan alsnog worden geoordeeld dat sprake is van schijnzelfstandigheid. In dat geval kan de zelfstandige aanspraak maken op arbeidsrechtelijke bescherming, zoals doorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Het rechtsvermoeden geldt uitsluitend binnen de civielrechtelijke verhouding tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. Voor fiscale handhaving verandert er niets: de Belastingdienst blijft arbeidsrelaties beoordelen op basis van alle omstandigheden van het geval. Daarbij blijft de bestaande holistische toets leidend.
Verder heeft de Tweede Kamer bepaald dat de tariefgrens niet gekoppeld wordt aan het wettelijk minimumloon. In plaats daarvan zal de grens voortaan meestijgen met de ontwikkeling van cao-lonen. Eventuele toekomstige aanpassingen van het bedrag vereisen opnieuw een wetswijziging.
Mogelijke invoering per 1 juli 2026
Op 21 april 2026 stemde de Tweede Kamer in met het wetsvoorstel. De behandeling in de Eerste Kamer moet nog plaatsvinden. De beoogde datum van inwerkingtreding is momenteel vastgesteld op 1 juli 2026. Uiterlijk eind augustus 2026 moet het onderdeel over het rechtsvermoeden officieel zijn gepubliceerd in het Staatsblad.
Totdat de nieuwe regeling daadwerkelijk van kracht wordt, blijft de huidige aanpak rondom schijnzelfstandigheid gelden. De Belastingdienst zet daarbij voorlopig vooral in op begeleiding, herstelmaatregelen en bedrijfsbezoeken, in plaats van directe sancties.
Bron: Rijksoverheid.nl
